Blog 45 Ik wandel, ik loop…
‘Hoe hoog de berg lijkt, hoe diep het dal, kies de juiste paden, die je volgen zal…’ Het is de Nederlandse vertaling van ‘Climb every mountain.’
Het schalde avond aan avond door de boxen van het theater, gezongen door moeder-overste en ik werd er, wachtend in de coulissen, met 6 kinderen onder mijn vleugels (want de oudste was 16 going on 17 en werd gespeeld door een actrice van in de twintig) steeds weer opnieuw door geraakt. Vierentwintig lentes jong was ik en goddelijk, maar daar had ik toen zelf geen flauw benul van. Dat zie ik nu pas, als ik de foto’s terugkijk. Ik straalde. Ik genoot. Ik was zo trots als een pauw. Een baan bij Stage Entertainment. Nationale Tour van The sound of Music 2003-2004. Kinderbegeleidster van 6 van de 7 Von Trapp kinderen. Ik zie me nog met een pasje de artiesteningang van Carre binnen hobbelen. Onwerkelijk vond ik het. Ik kwam net uit een revalidatie, na een heel pijnlijk ongeluk met grote gevolgen voor mijn toekomst. Ik moest hierdoor noodgedwongen na een jaar de Theateracademie in Amsterdam verlaten. Kapot was ik ervan. En toen ineens totaal onverwachts wandelde ik die wereld in, waarvan ik als kind altijd al van droomde. De theaterwereld, waarin ik me als een vis in het water voelde. Ik was onderdeel van iets groots en meeslepends en ik genoot van iedere minuut. Het was een feestje voor en achter de schermen. Er ging letterlijk een wereld voor me open. The Sound of Music, vol nonnen en nazi’s. Van oneindig veel kinderen en do re mi. Avontuur, reizen, zingen en spelen, ontmoetingen, overnachtingen in hotels, bungalowparken, spanning en sensatie, The sound of Gossip en heel, heel, heel veel showstops en feestjes. Ik wilde dat dit nooit voorbijging. Het smaakte naar meer, veel meer. ‘Waar god ergens een deur sluit, opent hij ergens een venster’ sprak moeder-overste avond aan avond. Persoonlijk vond ik het van moeder-overste nogal cru en bijdehand dat je iemand als Maria buitensluit, over haar roddelt, haar vervolgens op straat zet met een koffertje, wegstuurt naar een kerel met een fluit en 7 kinderen en haar vervolgens met je wijsheid van een tegeltje om de oren slaat…maar ik moet uiteindelijk, ruim 22 jaar later concluderen dat er een kern van waarheid zat in haar prevelement. Want waar in de afgelopen jaren de ene na de andere deur dichtsloeg, ging elders een raampje op een kier. Door dat kiertje, kwam ineens frisse lucht naar binnen. Het gaf licht, lucht en ruimte in mijn hoofd, waar eerder een dichte mist hing. Ik schudde de zwaarte van me af. Ademde diep in en vulde mijn longen en lijf met frisse nieuwe energie. Ik wandelde de zwaarte van me af. Liet onderweg de onnodige ballast achter. Ik bleef lopen en er kwamen steeds meer nieuwe mensen op mijn pad. Mensen die ik al een tijd niet had gezien of gesproken, nieuwe mensen, mensen die andere wegen in waren geslagen, maar ineens weer opdoken. Geen toeval. Mijn agenda stroomde langzaam weer vol met leuke afspraken en ik besloot mezelf niet langer te verstoppen.
Tijdens een borrel met fijne meiden en buitengewoon goede rosé, besloten zij dat het maar eens klaar moest zijn met schuilen achter die grote grijze rotspartij en vonden zij het een briljant idee een profiel aan te maken op Bumble. Ikzelf was daar nogal sceptisch over. Nogal oncomfortabel vond ik het. Na een avondje naar links swipen, langs karper vissers, mannen met enorme torso foto’s, mannen die met hun kinderen, de hele familie, de buurt of in de meest bizarre gevallen zelfs hun ex op de foto stonden, was ik er klaar mee en bevroor ik al snel mijn account. Na een match en de opening: ‘Ik wil verdrinken in je mooie ogen’ van een man die een ethisch non-monogame relatie zocht en mij als extraatje wilde, zakte de moed, via mijn afgetrainde wandelkuiten zo mijn schoenen in. Ik ontdekte de snooze functie en besloot: ‘Aan mijn lijf geen polonaise!’
Toch werd mijn nieuwsgierigheid getriggerd. Op een saaie doordeweekse avond, waarin ik eenzaam en alleen 692 keer naar links zat te swipen, bij kaarslicht, zag ik ineens een foto van een man die direct mijn aandacht trok. Nummer 693. Een blik, zijn ogen, die lach. Ik werd er als het ware naar toe gezogen. ‘Deze is wel echt leuk…’ klonk een stemmetje ergens achter in mijn hoofd. Maar direct kwamen daar de welbekende beren op mijn weg. Want stel nou dat hij in het ergste geval een match zou zijn, dan moet ik er wat mee en wil ik er wel wat mee moeten? Durf ik dit al aan? Wil ik me weer openstellen? Ben ik daar? Kan ik dat? Wie zit er nou op mij te wachten? Ik hoorde de vriendinnen op de achtergrond blèren: ‘Ja, daar zit zeker iemand op te wachten en ja, Ol, daar moet je wat mee, lekker afspreken en daten meid, dat is hartstikke leuk, dat kan jij!’ Het zweet brak me ter plekke uit. Klotsoksels, vlekken in mijn nek, knikkende knieën en koudwatervrees bij de gedachte dat ik met een wildvreemde kerel af zou moeten spreken. Dat zou ik natuurlijk helemaal niet durven en zeker niet doen. Ik ben nou niet per se een avonturier en ook geen mega Mindy, geen dare devil en ik had allerlei praktische bezwaren om dit vooral niet te doen en duizend redenen waarom ik geen goede match zou zijn voor deze man, teveel bagage, te veel gedoe, teveel onderkin, corrigerende slips en…dus scrolde ik naar beneden (bang om iets verkeerd te doen en de leuke onbekende man, met de stralende ogen en lach, te verliezen en net als de 692 karper vissers in de prullenbak te laten eindigen) en drukte in een vlaag van totale verstandsverbijstering op: ♥.
Het bleef angstvallig stil. Geen vuurwerk, geen violen, geen strijkorkest, geen rode rozen, geen ontkurkende champagne. Niks. Nada, nul, noppes, niets. Geen match. Mooi. Helder. Dikke prima. Godzijdank. Hier kwam ik goed mee weg zeg! Ik vond dit toch meer dan eng en nu hoefde ik er lekker niets mee, dus hup weer terug in de comfortzone. Lekker terug onder die grijze rotspartij. Veilig en vertrouwd. Mijn niet bellen en appen, laat staan daten! Ik besloot me als een ware schorpioen diep in het zand te laten zakken. Lekker verdwijnen!
De dag erna wandelde ik nietsvermoedend naar het strand. Bekeek tussendoor nog wel even de stand van zaken en: Pling. Ik had één chat bericht. Ik stond als aan de grond genageld. Met enig angstzweet in de handjes opende ik de chat. Een bericht van die ene leuke man, met die mooie ogen en stralende glimlach. ‘Oh kut, kakkerdekak, nee, waarom heb ik dit…Why tell me why?’ Ik had 24 uur om te reageren en de tijd tikte langzaam weg…een soort tijdbom. Doet ze het of doet ze het niet? Gaat ze reageren? Ik kreeg het ineens bloedheet en Spaans benauwd. Het liep dunnetjes langs mijn pijpen. ‘Blijven wandelen Ol’ sprak ik mezelf toe. ‘Wat je ook doet, blijven lopen, blijven bewegen…dit kan jij. Gewoon gaan. Het is misschien spannend, maar neem die afslag. Kan jou het schelen. Ga van die rotonde af, you woman! Je hebt twee jaar een nomade bestaan overleefd, dan kan je dit ook. 19 jaar onder een rots. Hollen! Duw die steen weg. Go go go! Durf te verdwalen. Je ziet wel waar je uitkomt. Wat heb je in hemelsnaam te verliezen? ‘Ondertussen zong Stef Bos in mijn oren “Volg niet de aangegeven richting, volg niet de route die je kent, de omweg is veel leuker, je ziet meer langs een weg die je niet kent” ‘Hou je bek Stef, bemoei je er niet mee!’ Maar voor ik er erg in had liep ik in onontgonnen gebied. Ik wandelde zo mijn comfortzone uit.
Over uit mijn comfortzone gesproken. Marjon Moed (mattie van school, een zeer inspirerende en buitengewoon leuke, lieve vrouw en mooi mens) organiseerde voor het derde jaar op rij een Camini in Utrecht en dus gaf ik me op. Wandelen met 180 vreemde mensen, hoe spannend kon dat zijn? Mijn intentie was helder. Ontspanning, tijd voor mezelf, nieuwe mensen ontmoeten en verbinden. Ballast achterlaten. Na een nachtje jongleren met spuugbakjes, nauwelijks slaap door een ziek kind, stapte ik vol goede moed en de nodige wallen onder mijn ogen in de trein op weg naar Utrecht. Wat volgde was een dag vol bijzondere ontmoetingen en verbindingen. Hilariteit alom bij de eerste ontmoeting in de kerk met mattie Marjon Moed, die tekst en uitleg gaf over de 16 kilometer die ik vandaag zou gaan lopen. Ik mocht een steen van tafel meenemen en die mocht ik dan aan het eind van de dag, symbolisch als ballast achter me laten. Ik: ‘Geef mij die hele zak maar!’ Wij gieren van het lachen, vervolgens vergat ik de steen. Had ik weer. Eenmaal onderweg bleek er een klein kiezeltje met me mee te wandelen. In mijn linkerschoen. Op de opleiding krijgen wij van een speldocente het verhaal van acteurs en actrices die standaard met een steentje in hun schoen het toneel opgingen, zodat ze makkelijker een conflict konden spelen. Ik deed verwoede pogingen het gewoon maar te laten zijn, het conflict te accepteren, maar ergens halverwege de route besloot ik toch het irritante, zeurende, aandacht vragende, alom aanwezige kiezeltje, liefdevol op een mooie plek achter te laten. Het gaf zo’n verlichting. Het werd een mooie wandeling. Van intieme en ontroerende gesprekken met fijne, lieve, bijzondere mensen, die durfden te delen wat op hun hart lag. Van soms de weg kwijt zijn, niet meer weten hoe het moet, verdwalen, maar dan terecht komen op de mooiste plekjes. Van tweestemmig “May the road rise to meet you” zingen in een kapelletje in een bos en weer even van het pad zijn. Dat gebeurde overigens niet één keer. Ik ben een keer of drie verkeerd gelopen. En dat had een reden. Ik wandelde ’s ochtends met een heel bijzonder iemand op. Ontroerende gesprekken volgde. In de middag liep ik een tijdje in mijn eentje. Nou ja alleen was ik niet helemaal. Ik liep compleet met mijn hoofd in de wolken. Ik had te maken met de nodige afleiding. Ik mistte her en der totale focus. Ik had namelijk een aantal dagen eerder de moed gehad te reageren op de leuke man met de mooie ogen en de stralende lach. Na een paar dagen chatten had ik zelfs het lef om mijn telefoonnummer te geven. En nu was het hek van de dam. Ik was grenzen aan het verleggen en daardoor was ik ineens verwikkeld in verslavend leuk app contact. Met mijn neus in mijn mobiel, mistte ik nog wel eens een afslag of in dit geval een Jacobs schelp. Het bracht me wel weer op leuke en bijzondere plekken. Ik kwam onderweg bijvoorbeeld een twintigtal karper vissers tegen, doordat ik een verkeerde weg was ingeslagen. Het moest zo zijn. Niets is zomaar toeval.
Twee jaar geleden, midden in de chaos waarin ik verkeerde, schreef ik deze tekst, wat uiteindelijk een lied werd: ’Ik wandel, ik loop, met de zon in mijn rug, een frisse wind blaast mijn volle hoofd leeg. Dit is het begin, ik weet niet waar ik eindig, maar ik wandel, ik loop, ik beweeg. Ik wandel, ik loop, ik baan me een weg. Mijn diepe angst verlamt me niet meer. Ik durf stil te staan, te voelen, te kijken, al doet het inzicht me zeer.’ Een lied over loslaten, uitbreken, vrijheid, de zoektocht naar mezelf, mijn eigen weg bewandelen, mijn angsten overwinnen, dicht bij mezelf blijven en alleen durven zijn. Plotseling zag ik mezelf wandelen, alleen, maar zo voelde het geen moment. Ik zag mezelf verbinden met passanten, een praatje maken. Delen. Luisteren. Lachen. Zingen. Ik zag mezelf verdwalen en de weg weer terugvinden. Ik voelde mezelf groeien met iedere stap die nam. Trots. Ik kan dit. Met mijn rugzak die onderweg soms zo irriteerde, symbool voor de ballast die soms nog op mijn nek drukte. Met het kiezeltje in mijn schoen, waar ik liefdevol afstand van deed. Van nieuwe ontmoetingen en verdwalen en even niet meer weten waar je bent. Wegdromend. Van de gebaande wegen af en op de mooiste plekken terecht komen. Dicht bij het ravijn staan vaak de mooiste bloemen. Ik zag mezelf grenzen aangeven en verleggen. In het diepe springen en wel weer zien waar ik uitkom. Ik bereik altijd wel weer de kant, of in dit geval het eindpunt. Want met mijn hoofd in dromenland en in gedachten bij de man met de mooie ogen stralende lach had ik helemaal niet door dat ik al bij het eindpunt was. Niets vermoedend liep ik een kerk in waar ik ontvangen werd met een daverend applaus van Marjon Moed en haar mooie collega’s. Ik had het gehaald! Ik kreeg kippenvel.
De laatste stempel werd gezet. Mijn intentie van de dag en mijn mooiste, dierbaarste herinnering van de dag, schreef ik op en hing hem aan de waslijn. In de kerk was in voorbereiding op de Vesper, een koor aan het repeteren. Ik besloot in mijn eentje vooraan in de kerk te gaan zitten en liet de klanken, woorden en samenzang als een warme deken over me heen komen. Tranen rolden over mijn wangen. Alleen maar nooit echt alleen. Ik voelde me gedragen die dag. De preek die tijdens de Vesper volgde nam al mijn (voor)oordeel over het geloof weg, want min het woordje God, verstond ik ieder woord en kwam alles binnen, het raakte me en voelde ik me onderdeel van de groep in plaats van buitenstaander. Niet alleen.
We aten heerlijk samen aan prachtig gedekte tafels en weer mooie, ontroerende gesprekken met de mensen om mij heen. 179 mensen lieten vervolgens symbolisch hun ballast in een vorm van een steen achter in de kerk. Ik stak een kaarsje aan. Een lichtpuntje. Ik brand ze iedere dag. Lichtpuntjes. Ze staan voor mij voor het vuur wat diep van binnen brandt. Ze bieden troost in tijden van duister en waren soms een baken in de lange donkere en wakkere nachten, waarin ik het even niet meer wist. Zo sloot ik de dag af. Moe van alle indrukken, besloot ik de kerkdeuren na het eten achter me dicht te trekken, de 179 mooie mensen, de Camini, achter me latend en met een moe lijf en een vol hart wandelde ik naar de trein en ging tevreden zitten. Ik twijfelde even of ik in de goede zat, voelde een lichte paniek door mijn lijf heen en daarna totale rust. Want stel nou dat ik inderdaad in de verkeerde trein op het verkeerde spoor zou zitten, op wat voor mooie plek zou ik dan terecht komen? Het is tijd om te gaan leven, om te verdwalen, om van de gebaande paden af te wijken en me te laten verrassen door al het moois wat ik dan onderweg weer tegenkom…